Print deze pagina
« Vorige | Deze week | Volgende »

Nieuws van de Week

week 50,  2011

Inhoud

Colofon

Het Nieuws van de Week wordt samengesteld door de medewerkers van het bureau van de KBvG.

Indien u wilt reageren op het Nieuws van de Week, dan kunt u uw reactie sturen aan de redactie.

Het Nieuws van de week wordt wekelijks per e-mail verzonden aan de leden en relaties van de KBvG. Wilt u zich uitschrijven voor die wekelijkse mailing, e-mail dan naar kbvg@kbvg.nl.    

Van de Redactie

Een zeer grote editie van het Nieuws van de Week. De redactie heeft gepoogd alleen de allerbelangrijkste artikelen te plaatsen, maar het aanbod was enorm. Zo waren er al meer dan 900 kamerstukken, maar ook de Hoge Raad publiceerde fors.

Hoe lijdelijk is de kantonrechter: vaak wordt die vraag gesteld door eisers dan wel hun gemachtigden. De Minister reageert.

Zowel de CJIB-contracten, de gerechtelijke kaart als het wetsontwerp incassokosten leveren nieuws op.

De HR doet uitspraak over het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW tussen particulieren en het hoe en wat van bodemgoederen: we kunnen ons niet voorstellen dat de fiscus er blij mee is. Het Hof Leeuwarden doet uitspraak over een fout betekende openbare dagvaarding en ontbindt in een andere zaak een huurovereenkomst maar maakt de executant ook duidelijk dat hij een regeling niet mag weigeren.

 

De redactie

KBvG nieuws

*Ambtsbericht overbetekeningstermijn*

De probleemstelling

Moet een deurwaarder de overbetekeningstermijn van artikel 475i Rv in acht nemen?

 

De tekst van artikel 475i Rv

Artikel 475i Rv bepaalt dat ‘de executant verplicht is om binnen acht dagen na het leggen van het beslag het beslagexploit aan de geëxecuteerde te doen betekenen bij gebreke waarvan de voorzieningenrechter van de rechtbank het beslag op vordering van de geëxecuteerde kan opheffen’.

 

De strekking van de bepaling 

De beslaglegger is verplicht de beslagschuldenaar in kennis te stellen van het derdenbeslag door overbetekening van het beslagexploot. De strekking van deze bepaling is een logische: de beslagschuldenaar wordt door middel van het beslagexploot op de hoogte gesteld van het gelegde beslag. De wetgever vindt terecht dat hier niet te lang mee kan worden gewacht.

 

Gevolgen van niet-naleving van de bepaling

De wet geeft aan dat bij gebreke van (tijdige) overbetekening de voorzieningenrechter het beslag op vordering van de beslagdebiteur kan opheffen. Deze opheffing heeft geen terugwerkende kracht. Het woord ‘kan’ duidt op een discretionaire bevoegdheid. De voorzieningenrechter kan de vordering tot opheffing dus ook afwijzen. De beslaglegger is daarnaast aansprakelijk voor de schade die ontstaat doordat geen (tijdige) overbetekening heeft plaatsgevonden.

Verzuim van (tijdige) overbetekening is niet met nietigheid bedreigd. De keuze van de wetgever om geen nietigheid van het beslag aan te nemen, is welbewust geweest: hij heeft de derde willen bevrijden van de verplichting tot controle of de betekening aan de beslagschuldenaar tijdig en in de juiste vorm heeft plaatsgevonden.

 

Het standpunt van het bestuur

Het bestuur heeft geconstateerd dat gerechtsdeurwaarders het beslagexploot niet altijd binnen acht dagen na het leggen van het beslag betekenen, kennelijk omdat de wet overschrijding of niet- inachtneming van deze termijn niet met nietigheid bedreigt. Artikel 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders bepaalt echter dat een ‘gerechtsdeurwaarder zich gedraagt zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamt’. Dat brengt onder andere met zich mee dat hij zijn ambt uitoefent in overeenstemming met wet- en regelgeving. Een gerechtsdeurwaarder die de overbetekeningstermijn van artikel 475i Rv niet in acht neemt, voldoet niet aan zijn wettelijke verplichting en is op grond daarvan tuchtrechtelijk aansprakelijk. 



Ambtsberichten zijn berichten waarin het bestuur van de KBvG uitlegt hoe zij een (ambts)handeling duidt en hoe naar haar mening door een lid van de KBvG dient te worden gehandeld. 

Zie ook de beschikking van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders van 28 april 2010, LJN YB0605.

CJIB

Op 1 en 6 december jl. heeft het bestuur van de KBvG een e-mail aan de leden gezonden, inzake de plannen van het CJIB om op no cure no pay-basis te contracteren met gerechtsdeurwaarders.

Dit voornemen van het CJIB raakt aan het standpunt dat het kabinet heeft ingenomen ten aanzien van aanbeveling 31 in het evaluatierapport Noblesse Oblige. De KBvG heeft daarom aan het ministerie van Veiligheid en Justitie gevraagd hoe het ministerie de plannen van het CJIB plaatst in het kader van dat kabinetsstandpunt.

De KBvG heeft vooralsnog geen antwoord gekregen van het ministerie. Wel heeft de KBvG een uitnodiging gekregen van het ministerie om donderdag a.s. samen met het ministerie en het CJIB overleg te voeren. De KBvG heeft die uitnodiging geaccepteerd, waarbij zij benadrukt heeft dat zij niet namens gerechtsdeurwaarders inhoudelijk zullen spreken over contracten, maar als PBO een principiële uitspraak willen van het ministerie ten aanzien van de voorgestelde no cure no pay-contracten van het CJIB en het eerder genoemde kabinetsstandpunt.

 

Wetgevingsnieuws

Belgische Deurwaarder onder BTW

In België genieten notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten onder de vrije beroepen, een vrijstelling van BTW. Echter met het nieuwe regeerakkoord werd gesteld dat notarissen en gerechtsdeurwaarders niet langer kunnen genieten van deze vrijstelling. De BTW-plicht zal niet alleen een impact hebben op de kosten voor het cliënteel, maar ook heel wat administratief werk met zich meebrengen. Diensten bij de notaris en de gerechtsdeurwaarder zullen onder het btw tarief van 21% vallen.

Voorlopig moet er nog geen btw worden betaald op de diensten van advocaten.

Landelijke regeling rekening-courant griffierechten

De Rechtspraak heeft besloten de inning van griffierechten te centraliseren en deze uit te laten voeren door het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak. Het gevolg van dit besluit is dat de lokale rekening-courantovereenkomsten met de gerechten komen te vervallen en dat daarvoor deze landelijke rekening-courant overeenkomst in de plaats komt. De invoering zal in de loop van 2012 plaatsvinden.

Landelijke regeling rekening-courant griffierechten (Staatscourant 2011, 22131)

 

Wetsvoorstel incassokosten

De MvJ heeft geantwoord op een vraag van het Kamerlid Spekman over door overheidsorganen berekende incassokosten. Het is ronduit bizar wat nu gaat gebeuren: contractuele schuldeisers vallen onder de nieuwe gefixeerde tarieven en zijn er dus in ieder geval zeker van dat ze althans een deel van de kosten vergoed krijgen. Crediteuren met een verbintenis uit de wet (o.d., overheidsschulden) blijven met 6:96 BW zitten. Het is niet voor niets dat in 2009 de fiscus en het CJIB zijn uitgezonderd…

Het Kamerlid Spekman van de PvdA heeft tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel gewezen op de discrepantie tussen het percentage dat voor de overheid geldt op basis van het Besluit buitengerechtelijke kosten om incassokosten te berekenen en de aflopende percentages die zullen gelden op basis van de nieuwe regeling voor de incassokosten bij geldvorderingen tussen private partijen.

"Ik heb aangegeven om te onderzoeken of in het Besluit buitengerechtelijke kosten de percentages uit de nieuwe regeling zullen worden overgenomen en uw Kamer daarover te informeren. Naar aanleiding van dit onderzoek meen ik dat de percentages uit de nieuwe regeling voor civiel recht niet zouden moeten worden overgenomen in het bestuursrecht."

Op grond van het Besluit buitengerechtelijke kosten (Stb. 2009, 268) is een bestuursorgaan dat de betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld door middel van een dwangbevel ten uitvoer legt, bevoegd om de buitengerechtelijke kosten die gepaard gaan met deze tenuitvoerlegging aan de schuldenaar in rekening te brengen. Aan het in rekening brengen van de buitengerechtelijke kosten stelt het Besluit echter twee voorwaarden:

1. de in rekening gebrachte kosten moeten redelijk zijn; en

2. zij mogen niet meer dan 15% bedragen van de te betalen geldsom.

Er is bij de totstandkoming van het Besluit buitengerechtelijke kosten in 2009 gekozen voor een specifieke bestuursrechtelijke regeling. De reden daarvoor hield verband met het feit dat de invordering van geldschulden tussen private partijen op enkele punten wezenlijk verschilt van de invordering van geldschulden door de overheid. Zo is het traject om bestuursrechtelijke geldschulden te incasseren dwingender voorgeschreven dan bij private partijen en kunnen bestuursorganen deels ook andere instrumenten inzetten bij de invordering (bijv. vereenvoudigd derdenbeslag).

In de nieuwe civielrechtelijke regeling wordt slechts voorgeschreven dat er bij vorderingen op consumenten een aanmaning moet worden verstuurd voordat aanspraak op incassokosten kan worden gemaakt. Voor het overige wordt niet voorgeschreven welke incassohandelingen moeten worden verricht. Vastgelegd wordt welk bedrag aan incassokosten maximaal aan een schuldenaar in rekening mag worden gebracht wanneer deze zijn contractuele verplichting tot betaling van een geldsom niet is nagekomen. Welke incassohandelingen worden verricht en door wie – bijvoorbeeld door de schuldeiser zelf of door een derde zoals een incassobureau – wordt vrijgelaten. Hierdoor kan de schuldeiser zelf een zo effectief mogelijk incassotraject kiezen.

Bij het in rekening brengen van buitengerechtelijke kosten geldt in het bestuursrecht als uitgangspunt dat er niet meer in rekening wordt gebracht dan de reële kosten. Aangezien het incassotraject bij bestuursorganen in de regel gestandaardiseerd is, is een andere benadering vereist dan in het civiele recht wordt voorgesteld. Hierbij ligt het voor de hand om per incassostap (bijv. het verzenden van een aanmaning of het toepassen van verhaal met dwangbevel) te bekijken wat gemiddeld de reële kosten zijn en daaraan een redelijk tarief te koppelen. Doorgaans zal dit betekenen dat de door bestuursorganen te hanteren tarieven lager uitvallen dan in het civiele recht wordt voorgesteld. Zoals gezegd is de 15% van het Besluit buitengerechtelijke kosten slechts een maximum. Om deze redenen meen ik dat de normering voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten zoals voorgesteld voor civielrechtelijke vorderingen, niet geschikt is om te worden toegepast op bestuursrechtelijke geldschulden.

Een mooi verhaal waar niets van klopt gezien de praktijk. Een percentage van 15% wordt onderworpen aan de 6:96 BW toets en zal sneuvelen. Het is opvallend dat fiscale en CJIB-vorderingen destijds uitdrukkelijk werden uitgesloten.

Gerechtelijke Kaart

De wet gerechtelijke kaart kan nog verrassingen opleveren. Via een amendement wordt getracht het Arrondissement Oost-Nederland te splitsen in een Arrondissement Arnhem en Overijssel. We wachten af. De Minister zal het uiteraard met kracht ontraden.

Tuchtrecht

YA2234 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21 november 2011

Door niet, althans pas na diverse herinneringen, te reageren op verzoeken van de deken om informatie en tot overdracht van de verzochte stukken wordt de deken in diens taakuitoefening belemmerd, wat een advocaat tuchtrechtelijk ernstig valt aan te rekenen;

Verweerder reageert herhaaldelijk niet of onvoldoende op vragen van mr. G. en op vragen en brieven van de Deken inzake een oud cliënt van verweerder die stelt € 100.000,= schade te hebben geleden door toedoen van verweerder. De klachten van deze oud cliënt zijn al in de klachtzaken met nummers M110-2005 en M116-2009 door de raad beoordeeld en gegrond verklaard.

Verweerder reageert evenmin op vragen van mr. P. en de Deken. Gebleken is dat hij de wederpartij niet aansprakelijk gesteld heeft waardoor de vordering is verjaard. De advocaat mr. P acht gedragsregels 11, 17 en 22 geschonden.

Ter toelichting van het bezwaar heeft de Deken ter zitting medegedeeld dat verweerder uiteindelijk nog wel een reactie heeft gegeven  in de zaak waar klachtonderdeel 2 op ziet, maar op geen enkele wijze heeft gereageerd op de aansprakelijkheidstelling zoals hem werd verzocht.

Bezwaar gegrond. Maatregel: schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken.  

Hierbij moet worden opgemerkt dat de advocaat in kwestie wel consistent is, ook bij de zitting was de advocaat niet aanwezig.

www.tuchtrecht.nl/ya2234

 



YA2233 Raad van Discipline ’s-Hertogenbosch 7 november 2011

Onzorgvuldig handelen door te volstaan met het toezenden van het vonnis per (gewone) post en, toen een reactie van klager uitbleef terwijl de appeltermijn dreigde te verstrijken, geen verdere actie te ondernemen, zoals het opnemen van telefonisch contact. Advocaat moet zich ervan vergewissen of hij zijn cliënt naar behoren van een vonnis in kennis heeft gesteld.

In de geringe ernst van het tuchtrechtelijk verwijt ziet de raad aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel. Verzet gegrond, klacht gegrond.

www.tuchtrecht.ml/ya2233

 

 

YA2232 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 31 oktober 2011

Gedragregel 12 verbiedt iedere overlegging van confraternele correspondentie. Het argument dat het niet om inhoudelijke confraternele correspondentie zou gaan en dat in deze correspondentie een voorbehoud was gemaakt gaat niet op. Dat het bij de rechtstreeks schriftelijke benadering van de cliënten van zijn wederpartij zou gaan om een aanzegging met rechtsgevolg valt uit de desbetreffende brief niet op te maken. Hoewel vraagtekens gezet kunnen worden bij de onderbouwing van het door verweerder namens zijn cliënt ingediende verzoek ingevolge artikel 382 Rechtsvordering gaat het te ver om op de uitslag van deze procedure vooruit te lopen. Het mag niet zo zijn dat eerdere beschuldigingen en verwijten, die in voorgaande procedures ongegrond zijn geacht, opnieuw klakkeloos worden herhaald. Klacht (gedeeltelijk) gegrond.

Maatregel: berisping

www.tuchtrecht.nl/ya2232

 

 

YA2228 Raad van Discipline Amsterdam 6 december 2011

Klacht tegen eigen advocaat. Ondanks lang wachten met het indienen van de klacht is klager ontvankelijk. Beroepsfout door de verzettermijn van het dwangbevel ongebruikt te laten verstrijken. Advocaat heeft fout niet (direct) erkend en geen excuses aan klager aangeboden. Klacht gegrond, waarschuwing.

www.tuchtrecht.nl/ya2228

 

Jurisprudentie

Voorzieningenrechter Rechtbank ’s-Gravenhage 2 december 2011 LJN BU6837

Verbod executie wet mulder beschikkingen en naheffingsaanslagen Motorrijtuigenbelasting. Juiste partij gedagvaard? De Ontvanger der belastingen bevoegde instantie wat betreft de invordering van de naheffingsaanslagen; wet mulder beschikkingen formele rechtskracht

De vorderingen v en vii zien op de schorsing van de executie van de openstaande dan wel de terugbetaling van de betaalde naheffingsaanslagen. Deze aanslagen vinden hun grondslag in de wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994. Niet in geschil is dat een naheffingsaanslag een rijksbelasting is, zoals bedoeld in artikel 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ingevolge artikel 1 lid 1 van de Invorderingwet 1990 (Iw.) is de Iw. van toepassing op invorderingen van rijksbelastingen. Op grond van artikel 3 van die wet is de Ontvanger belast met de invordering van rijksbelastingen en in lid 2 van dat artikel is neergelegd dat de Ontvanger in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak in rechte optreedt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 januari 2003 (NJ 2003, 213) geoordeeld dat gelet op de tekst van dit artikel en de toelichting daarbij van de wetgever moet worden aangenomen dat in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening door de Ontvanger van zijn taak, uitsluitend de Ontvanger kan worden gedagvaard. Nu niet de Ontvanger maar de Staat is gedagvaard heeft dit tot gevolg dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen onder v en vii. De stelling van eiser dat de Staat de Ontvanger kan instrueren gevolg te geven aan dit vonnis wordt gepasseerd, nu die mogelijkheid – voor zover die al bestaat – los staat van het antwoord op de voorvraag of de verantwoordelijke entiteit is gedagvaard.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6837

 

Rechtbank Amsterdam 19 oktober 2011 LJN BU7131

De Colportagewet is uitsluitend van toepassing op particulieren, dat wil zeggen consumenten. Omdat gedaagde bij het aangaan van de overeenkomst niet heeft gehandeld als particulier, maar als ondernemer, is de Colportagewet hier niet van toepassing. In navolging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 juli 2011 (LJN: BS1116) is de rechtbank van oordeel dat gedaagde als kleine ondernemer niet gelijk is te stellen aan een particulier. Om die reden kan gedaagde zich niet beroepen op bescherming van de Colportagewet

Weer een proximediazaak.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7131

 

Rechtbank Arnhem 16 november 2011 LJN: BU6910

DAS voert 2 verweren: 

 Het procedurele verweer

Kern van het betoog van DAS is dat zij niet is gehoord door de Raad van Toezicht en dat er dus sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. DAS heeft erop gewezen dat de richtlijnen van de Raad van Toezicht ook niet voorzien in het standaard horen van de advocaat en de cliënt.

In het kader van de begroting door de Raad van Toezicht hoeft de cliënt, in dit geval DAS, formeel niet te worden gehoord op grond van het bepaalde in artikel 32 WTBZ. In de praktijk verschilt het per arrondissement of cliënten worden gehoord door de Raad van Toezicht. De cliënt kan in het geval hij niet is gehoord door de Raad van Toezicht pas bij het gedane verzet tegen het bevelschrift zijn bezwaren tegen de hoogte van de declaratie naar voren brengen.

Over het doel en de strekking van de WTBZ heeft de Hoge Raad, voor zover hier relevant, overwogen ( HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28):

(…) Ter behandeling van geschillen "over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend" is in de derde titel van de Wet tarieven in burgerlijke zaken een bijzondere rechtsgang voorzien (begroting door de RvT, zo nodig nadere begroting door de in art. 33 aangewezen rechter, met de mogelijkheid van verzet voor "degene, ten wiens laste" een "bevelschrift van tenuitvoerlegging" als in art. 39 bedoeld is gegeven). Art. 40 Wet tarieven wijst de bijzondere rechter aan die bij uitsluiting bevoegd is deze geschillen te beslissen.

Deze regeling stoelt vooral daarop dat de Raden van Toezicht bij uitstek deskundig zijn om te begroten wat advocaten - "naar mate van het belang en de moeilijkheid der zaken, mitsgaders van den tijd, welke daaraan besteed heeft moeten worden" (art. 30) - toekomt als honorarium. Daarnaast heeft een rol gespeeld de wens om procederen omtrent de hoogte van het honorarium zoveel mogelijk te beperken (…).

De rechtbank leidt hieruit af dat de in de artikelen 32 tot en met 40 WTBZ voorgeschreven procedure in zijn totaliteit moet worden beschouwd als één rechtsgang. Op grond van artikel 6 EVRM heeft DAS recht op, samengevat, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor een bij de wet ingestelde rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Als zodanig kan de begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht niet worden aangemerkt. Wel kan de in de artikelen 32 tot en met 40 WTBZ voorgeschreven procedure in zijn geheel worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Immers, DAS is wel degelijk gehoord over haar bezwaren, zij het in een later stadium, te weten bij de comparitie in de verzetprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Het inhoudelijke verweer

In de kern komt dit verweer van DAS erop neer dat de declaraties van Poelmann van den Broek op een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

Voorop gesteld wordt dat in een begrotingsprocedure als de onderhavige slechts ruimte bestaat voor debat over de vraag op welk honorarium de advocaat, gelet op de door hem verrichte werkzaamheden, in de gegeven omstandigheden aanspraak kan doen gelden. In de verzetprocedure krijgt degene tegen wie een bevelschrift tot betaling van de door de voorzieningenrechter nader vastgestelde declaratie is gegeven de gelegenheid zijn bezwaren tegen de begroting in volle omvang te doen beoordelen door de rechter (HR 26 februari 1988, NJ 1988, 506). Wel bepaalt art. 40 lid 2 WTBZ dat het verzet ‘als een summiere zaak’ wordt afgedaan.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6910

 

Gerechtshof ’s-Gravenhage 22 november 2011 LJN BU6788

Tussen partijen is niet in geschil dat Hallo Scheveningen voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst aan appellant heeft kenbaar gemaakt dat het camerasysteem geïnstalleerd zou worden in een café, en dat het voor Hallo Scheveningen van belang was dat het systeem ook behoorlijk zou werken in de avond en 's nachts met discotheekverlichting. appellant heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist dat de beeldkwaliteit van het geleverde systeem niet voldoet onder die omstandigheden. Hij weerspreekt niet dat de camerabeelden regelmatig verspringen van kleur naar zwart/wit, en in de avond en nacht eigenlijk alleen maar zwart/wit weergeven.

Evenmin weersproken is de stelling dat op de zwart/wit beelden personen niet te herkennen zijn, nu slechts een silhouet wordt weergegeven, waardoor zelfs zwarte kleding niet van witte kleding is te onderscheiden. appellant, die ter comparitie in eerste aanleg heeft erkend dat er kleurenbeeld zou komen, geeft hiervoor slechts een technische verklaring, te weten dat de camera's in onderbelichte situaties automatisch overspringen naar de infrarood modus. Voorts heeft appellant onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de bij het systeem geleverde computer (DVR) regelmatig is vastgelopen ('gecrasht') en inmiddels in het geheel niet meer wil opstarten. Volgens appellant heeft Hallo Scheveningen niet gesteld dat de computer in het café ooit is vastgelopen, enkel die van de mededirecteur (mededirecteur van Hallo Scheveningen) waarmee hij de beelden thuis bekeek.

Uit de conclusie van antwoord blijkt naar het oordeel van het hof evenwel genoegzaam dat de stellingen van Hallo Scheveningen ten aanzien van het vastlopende computersysteem betrekking hebben op de door appellant geleverde computer, en niet op de computer waarmee de mededirecteur thuis via internet de camerabeelden heeft getracht te bekijken (zie onder meer de tweede volzin op de vierde pagina van de conclusie van antwoord).

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6788

 

Gerechtshof ’s-Gravenhage 15 november 2011 LJN: BU7195

Kernvraag in deze zaak is of juist is de stelling van appellante dat, kort samengevat, geïntimeerde bedoelde medewerking heeft gegeven en dat de huurovereenkomst tussen hen beiden met wederzijds goedvinden per 31 mei 2008 is beëindigd. appellante verwijst daartoe naar een door geïntimeerde aan ex-echtgenoot en haar gestuurde brief van 28 april 2008. appellante merkt op zich terecht op dat uit deze brief blijkt dat geïntimeerde wist dat appellante bevrijd wilde worden van de verplichtingen uit de overeenkomst (appellante heeft mij (…) bij herhaling aangegeven dat zij haar naam van de huurovereenkomst verwijderd wilde hebben”). Ook is op zich juist dat geïntimeerde in de brief schrijft dat als de op dat moment bestaande huurachterstand niet uiterlijk 7 mei 2008 zou zijn betaald, dit tot gevolg zal hebben dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de formele ontbinding zal plaatsvinden op 31 mei 2008. Anders dan appellante en met geïntimeerde is het hof echter van oordeel dat hieruit niet volgt dat tussen partijen wilsovereenstemming bestond over de opzegging van de huurovereenkomst tegen 31 mei 2008. In de brief staat immers ook uitdrukkelijk vermeld dat ex-echtgenoot en appellante beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn en blijven. Bovendien heeft geïntimeerde na de brief van 28 april 2008 nog een tweetal nieuwe sommaties tot betaling aan ex-echtgenoot en appellante verstuurd (te weten op 12 juli 2008 en op 5 november 2008), waarin betaling van de na juni 2008 ontstane huurachterstand werd gevorderd. De ontbinding per 31 mei 2008 (respectievelijk per 31 augustus 2008, zie de brief van 12 juli 2008) waarmee geïntimeerde dreigde is dus niet doorgezet. De brieven waren kennelijk pogingen om beide contractuele medehuurders, ieder voor zich, tot betaling te bewegen en er kan in elk geval geen instemming met de door appellante gewenste beëindiging in worden gelezen.

In zoverre faalt het appel dan ook. appellante heeft in haar toelichting op grief 4 subsidiair verzocht om matiging ex artikel 6:94 lid 1 BW van de gevorderde contractuele boetes ten bedrage van totaal € 3.325,- (133 dagen x € 25,-), daartoe stellend dat het boetebedrag de huurachterstand (€ 3.050,-) overstijgt en dus buitensporig hoog is. geïntimeerde heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging van de bedongen boete slechts plaats kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt met zich dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ 6638). Uitgaande van deze maatstaf en gelet op de verhouding tussen het boetebedrag en de huurachterstand, de omstandigheid dat de rente over de huurbetalingen reeds is toegewezen waarmee de schade wordt geacht te zijn vergoed, alsmede de omstandigheid dat geïntimeerde de matiging niet heeft weersproken, is het hof van oordeel dat onverkorte toepassing van het boetebeding in dit geval tot een onaanvaardbaar resultaat leidt en dat de billijkheid klaarblijkelijk matiging eist. Het hof zal de boete matigen tot een bedrag van in totaal € 300,-.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7195

 

Rechtbank Leeuwarden 23 november 2011 LJN BU7431

Een boot wordt gestolen en dat wordt telefonisch bij de politie gemeld. Een (onwetende) derde (Z) die de boot signaleert meldt dat hij iets verdachts heeft gezien krijgt van de meldkamer het advies niets te doen. Daarna is de boot snel definitief verwenen waarop de bestolene (X) de politie aansprakelijk stelt.

Tegen de stelling van X dat Regiopolitie Fryslân Z van fout advies heeft voorzien, heeft Regiopolitie Fryslân onder meer het volgende verweer gevoerd. Voor de medewerker van Regiopolitie Fryslân die het telefonisch contact met Z had, was op basis van hetgeen Z aanvoerde niet met zekerheid vast te stellen dat sprake was van een gestolen motorboot. Om die reden is het begrijpelijk dat de betreffende medewerker Z heeft ontraden om de boot mee te nemen. Dat was overigens slechts een advies, aldus Regiopolitie Fryslân, de uiteindelijke keuze was aan Z, nu daar ook de verantwoordelijkheid voor het wel of niet meenemen van de boot lag. Art. 5:5 e.v. BW heeft tot strekking om te bevorderen dat iemand die een zaak verliest deze zo snel mogelijk terugvindt en om een regeling te bieden voor het geval de eigenaar niet komt opdagen, maar de strekking van die artikelen is niet om X te beschermen in de belangen waarin hij stelt te zijn getroffen, aldus Regiopolitie Fryslân.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele mededeling van Z "dat hij er geen goed gevoel bij had" niet meebrengt dat het voor de desbetreffende medewerker van Regiopolitie Fryslân voldoende duidelijk kon of moest zijn dat de boot inderdaad was gestolen, zodat Regiopolitie Fryslân niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens X door te adviseren aan Z zoals zij heeft gedaan. De regeling van art. 5:5 e.v. BW maakt dat niet anders, nu hiervoor is geoordeeld dat voor Regiopolitie Fryslân niet duidelijk hoefde te zijn dat de boot gestolen was, zodat van een fout advies jegens de vinder evenmin sprake was. Nu de rechtbank in r.o. 4.4 verder reeds heeft geoordeeld dat niet van Regiopolitie Fryslân verwacht mocht worden dat de eerdere melding van diefstal door Y aan het PSC ook onmiddellijk bekend was bij de Centrale Meldkamer, brengt het feit dat áls die koppeling wel had plaatsgevonden, deze kennis aanwezig zou zijn geweest bij de betreffende medewerker - welke medewerker dan naar alle waarschijnlijkheid een ander advies had gegeven aan Z - in dat oordeel geen verandering.

Nu het door X gestelde naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatig handelen van Regiopolitie Fryslân in de zin van art. 6:162 BW oplevert, wordt niet voldaan aan het vereiste van onrechtmatige daad, zodat de vordering van X zal worden afgewezen. Gelet hierop kan hetgeen partijen overigens te berde hebben gebracht, als zijnde niet beslissend voor de beoordeling van het geschil, onbesproken worden gelaten.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7431

 

Rechtbank Groningen 17 november 2011 LJN BU7130

Als hiervoor vermeld dient op grond van die nieuwe regeling voor de bevoegdheid in een geschil als het onderhavige artikel 438 Rv te worden toegepast. Ingevolge laatstgenoemd artikel wordt een geschil gebracht voor de rechtbank die naar "de gewone regels" bevoegd zou zijn. Anders dan de uitspraak van 13 oktober 2010 van deze rechtbank waarnaar A verwijst, is de kantonrechter van oordeel dat nu het hier gaat om een executiegeschil de sector civiel van deze rechtbank - ongeacht de hoogte van het te innen bedrag - bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De zaak zal daarom op grond van artikel 71 Rv worden verwezen naar de sector civiel recht van deze rechtbank ter verdere behandeling.

Niet gebleken is dat het exploot van 22 februari 2011, waarin het dwangbevel aan A is betekend, de rechtsmiddelenclausule als bedoeld in artikel 4:123 Awb vermeldt. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om DUO te veroordelen in de kosten van dit incident

De Kantonrechter maakt een onderscheid dat heel moeilijk te volgen is als je de eerste uitspraak LJN BO5307 beziet: 

In artikel 4:123 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat op de wijze als bepaald in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen een dwangbevel kan worden opgekomen.

Lid 1 van artikel 438 lid 1 Rv luidt als volgt:

Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.

Onder "gewone regels" wordt verstaan de bevoegdheidsregels genoemd in de artikelen 99 tot en met 109 Rv. Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij. In artikel 1:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een persoon die een kantoor of een filiaal houdt, ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft. Deze bepaling betreft zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Op grond van artikel 2:1 lid 1 BW bezit ook de Staat rechtspersoonlijkheid.

De Dienst Uitvoering Onderwijs is, zo staat in het dwangbevel vermeld, een agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en gevestigd in Groningen. Aldus houdt de Staat mede filiaal te Groningen. Omdat de Dienst Uitvoering Onderwijs het onderhavige dwangbevel heeft uitgevaardigd, is hier sprake van een aangelegenheid die dit filiaal betreft (artikel 1:14 BW). De rechtbank Groningen is daarom mede bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

De kantonrechter maakt onderdeel uit van deze rechtbank en is naar zijn oordeel daarom in executiegeschillen bevoegd in zaken waarin hij naar de gewone regels (artikel 93 Rv) bevoegd zou zijn. Omdat het hier een vordering betreft met een beloop van minder dan € 5.000,00, acht de kantonrechter zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7130

 

Rechtbank Almelo 23 november 2011 LJN BU7394

Innové heeft de schijn gewekt dat W, in het handelsregister vermeld als directeur, bevoegd was namens haar, rechtshandelingen te verrichten. 

Een niet bevoegde directeur heeft regelmatig contracten gesloten met eiseres. Hij treedt uit dienst en dan ineens wordt een beroep op die onbevoegdheid gedaan

Geen rechtsregel, noch verkeersopvattingen verplichten een zakelijke relatie, elke keer wanneer hij een overeenkomst met een rechtspersoon sluit, in het Handelsregister na te gaan of de persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt op dat moment nog wel (volledig) bevoegd is om de overeenkomst in kwestie te sluiten. Evenmin kan dat in redelijkheid van een zakenrelatie worden gevergd. Zeker niet wanneer eerder is gebleken dat de desbetreffende functionaris die bevoegdheid wel bezat. Daarbij komt dat de vermelding in het Handelsregister niet betekent dat de functionaris tot geen enkele rechtshandeling zelfstandig bevoegd is. Een dergelijke volmacht kan immers, ondanks de statutaire beperking, door de (bestuurders van) de rechtspersoon ook incidenteel verleend worden. Innové kan daarom de (statutaire) onbevoegdheid van X, zo daarvan al sprake zou zijn, niet aan Cogas Infra tegenwerpen.

Dat zou anders zijn wanneer vast zou staan dat de zakelijke relatie, in casu Cogas Infra, de onbevoegdheid kende. Innové heeft daaromtrent, behalve dat Cogas Infra het Handelsregister had moeten raadplegen, evenwel niets gesteld, noch is daarvan iets gebleken. De omstandigheid dat een afschrift van de ondertekende offerte zich niet in de administratie van Innové bevindt, is evenmin een omstandigheid die zij aan Cogas Infra kan tegenwerpen. Voor het maken van kopieën van geaccordeerde offertes voor de administratie van Innové is Cogas Infra immers niet verantwoordelijk. Dat is een interne bedrijfsaangelegenheid van Innové.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7394

 

Rechtbank Arnhem 18 november 2011 LJN BU6950

ING heeft de kredietrelatie voor een groep bedrijven in haar portefeuille. Na opzegging van het krediet in januari besluit zij eind juni tot inning van verpande vorderingen over te gaan. Dat loopt zeer voorspoedig:

 ING heeft vervolgens Mirus International B.V. (hierna: Mirus) ingeschakeld om de inning ter hand te nemen van de aan ING verpande vorderingen van de groep. In dat kader heeft Mirus op 23 juni 2011 debiteuren van KWH Transport in binnen- en buitenland aangeschreven. In overleg met KWH Transport heeft Mirus daarna, op 26 juli 2011, twee of meer van die debiteuren nogmaals een brief gestuurd. Daarin is abusievelijk een verkeerd rekeningnummer vermeld waarop de debiteur kon betalen.

Medio augustus 2011 is de schuld van de groep aan ING volledig afgelost door inning van in totaal € 364.506,44 van de vorderingen die aan ING waren verpand. In verband daarmee heeft ING ten laste van de ING bankrekening van KWH Transport een bedrag van € 32.532,20 aan Mirus betaald als provisie. 

Bij toetsing als buitengerechtelijke kosten heeft de Voorzieningenrechter geen enkele neiging tot matiging 

KWH Transport heeft verder aangevoerd dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de kosten van Mirus niet (volledig) ten laste van haar konden worden gebracht omdat die kosten extreem hoog waren. KWH Transport heeft hier kennelijk het oog op de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 onder c BW. Die heeft betrekking op kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De kosten die ING aan Mirus heeft voldaan vallen daar niet noodzakelijk onder. Die kosten kunnen ook beschouwd worden als kosten ter handhaving en uitoefening van (pand)rechten) als bedoeld in art. 14.1 algemene bepalingen.

Ook voor zover het om buitengerechtelijke incassokosten gaat kan niet zonder meer aangenomen worden dat de ten laste van KWH Transport gebrachte kosten van Mirus onredelijk waren. Dat zal ervan afhangen in hoeverre het alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen redelijk is dat een bank in vergelijkbare omstandigheden voor de uitoefening van pandrechten op vorderingen een bedrijf als Mirus inschakelt en het percentage dat Mirus daarvoor heeft berekend redelijk en gebruikelijk is. De stellingen van partijen bieden onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat niet aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Het enkele feit dat Mirus slechts een beperkt aantal handelingen heeft verricht is daartoe op zichzelf onvoldoende. Voor matiging is evenmin een aanknopingspunt.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6950

 

 

Gerechtshof Leeuwarden 6 december 2011 LJN BU6987

Het hof stelt voorop dat het met de rechtbank van oordeel is dat een koper van een garage, waarvan de vloer lager is gelegen dan de grond daarom heen erop bedacht moet zijn dat zich bij extreme regenval wateroverlast kan voordoen. Het is immers een feit van algemene bekendheid (de nieuwsberichten doen daar met regelmaat verslag van) dat bij hevige regenval (bijvoorbeeld bij een onweersbui), waarvan naar men zegt ten gevolge van de klimaatsverandering steeds vaker sprake is, talloze garages en kelders in Nederland geheel of ten dele onderlopen, zodat de brandweer met regelmaat handen vol werk heeft. Dergelijke overlast wordt mede veroorzaakt door het gegeven dat steeds meer tuinen bestraat of betegeld worden, zodat het hemelwater minder snel in de grond kan zakken. Van betegeling van het terras is in casu ook sprake.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6987

 

Gerechtshof Leeuwarden 6 december 2011 LJN BU6963

1.  De rechtbank heeft bij genoemd vonnis van 3 maart 2010 in conventie appellant onder meer veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat zij dit vonnis in de plaats stelt "van de wilsverklaring van appellant wanneer hij niet wil verschijnen, of wanneer hij wel verschenen is, maar weigert aan het transport van de woning mee te werken en verklaart in de notariële akte van levering voor recht dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven."

2.  Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de rechtbank heeft bepaald dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel van zodanige akte. Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van dit rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register. Uit de gedingstukken blijkt niet van die inschrijving. Het is aan appellant als appellant om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven (Rechtbank Groningen), aan te tonen dat aan het in artikel 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan (vergelijk Hoge Raad 4 mei 2007, LJN AZ7615 en Hoge Raad 24 december 1999, LJN AA4005). Het hof zal appellant in de gelegenheid zich bedoelde griffiersverklaring over te leggen. geïntimeerde zal daarna in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

3.  Gelet op genoemde uitspraken van de Hoge Raad moet het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW tevens aldus worden opgevat dat indien appellant het instellen van het hoger beroep niet (tijdig) heeft doen aantekenen in het rechtsmiddelenregister, hij uitsluitend in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is voor zover het hoger beroep dat gedeelte van de uitspraak betreft ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de akte, en overigens voor zover met dat gedeelte een onlosmakelijk verband bestaat.

Heel pijnlijk, dit gaat met enige regelmaat fout. De gevolgen zijn zonder uitzondering fataal.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6963

 

Gerechtshof Leeuwarden 6 december 2011 LJN BU6819

Vraag of de verhuurder heeft ingestemd met gebruik van het gehuurde dat afwijkt van de contactuele bestemming. Die instemming heeft de huurder afgeleid uit het feit dat de verhuurder aanvankelijk niet tegen het gebruik heeft geprotesteerd, maar de huurder zelfs herhaaldelijk heeft gecomplimenteerd met dat gebruik.

Van rechtsverwerking is sprake wanneer de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht onverenigbaar is. Dat is het geval wanneer zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan, hetzij bij de wederpartij van de gerechtigde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Enkel tijdsverloop is voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking onvoldoende.

Wanneer verhuurder inderdaad volledig op de hoogte was van het feitelijke gebruik door de huurder, hij gedurende enige tijd niet tegen dat gebruik heeft geprotesteerd, maar de huurder zelfs herhaaldelijk heeft gecomplimenteerd met dat gebruik, kan bij de huurder het gerechtvaardigde vertrouwen zijn gewekt dat de verhuurder dat gebruik niet met een beroep op de huurovereenkomst zou beëindigen.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6819

 

Gerechtshof Amsterdam 30 augustus 2011 LJN BU6889

Opzegging wegens dringend eigen gebruik bestaande in voornemen tot vernieuwbouw tot shortstayappartementen. Beroep op huurbescherming niet onaanvaardbaar. Vordering tot beëindiging wel toegewezen met een tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten. Geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Hoewel hiervoor onder 4.3.2 is vastgesteld dat in ieder geval in 2006 het na aftrek van de gebruikskosten resterende bedrag hoog genoeg was om als huur te kunnen worden aangemerkt, is het naar het oordeel van het hof niet voor serieuze discussie vatbaar dat de exploitatie van de panden ernstig verliesgevend is. Dit geldt ook voor de exploitatie van de door geïntimeerden gehuurde ruimten, als de totale kosten van de panden daarover worden omgeslagen. Bij de onder 4.3.2 genoemde berekening zijn immers verscheidene kostenposten die onlosmakelijk met de eigendom van een onroerende zaak verbonden zijn, zoals rente, opstalverzekering en belastingen, uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten.

Wanneer die posten wel worden meegenomen resteert alleen al voor de door geïntimeerden gehuurde ruimten een maandelijks verlies van verscheidene duizenden euro’s per maand – zoals al kan worden opgemaakt uit de door geïntimeerden zelf in haar pleitnotitie gemaakte berekening. Niet valt in te zien hoe een dergelijke exploitatie op de langere termijn redelijkerwijs kan worden volgehouden. Het betoog van geïntimeerden dat de hoge rentelast het gevolg is van slecht ondernemerschap van Noord-Invest en daarom voor haar eigen rekening moet blijven, mist een kenbare feitelijke onderbouwing – wat overigens van dat argument ook zij.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6889

 

Gerechtshof Leeuwarden 6 december 2011 LJN: BU6984

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter het beroep van geïntimeerde op verrekening van de waarborgsom met de huurachterstand, terecht op goede gronden verworpen. Van een huurachterstand van drie maanden, waarvan in dit geval derhalve sprake is, kan niet worden gezegd dat een dergelijke tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst niet kan rechtvaardigen. Te meer niet, omdat geïntimeerde de huur bij herhaling (veel) te laat betaalde. De betalingsproblemen waarin geïntimeerde zegt te verkeren omdat hij in een tijdelijke uitkeringssituatie zit, kan hij niet afwentelen op appellante als verhuurder. Dat geïntimeerde door de ontbinding en ontruiming, zoals hij stelt, samen met zijn minderjarige zoon op straat komt te staan, doet evenmin aan voormeld oordeel af.

De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van de woning (met nevenvorderingen) zullen daarom worden toegewezen. In zoverre slaagt de grief. Het hof ziet er evenwel niet aan voorbij dat de actuele situatie in relevante mate kan afwijken van hetgeen blijkt uit de thans voorhanden zijnde informatie. Het hof gaat er dan ook vanuit dat appellante geen gebruik maakt van de hierna te verstrekken ontruimingstitel, indien de huurachterstand inmiddels in betekenisvolle mate is ingelopen dan wel indien geïntimeerde na kennisneming van dit arrest een deugdelijke afbetalingsregeling voorstelt en die ook nakomt.

Het Hof levert de opmaat tot een executiegeschil met termen als betekenisvolle mate en deugdelijke regeling.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6984

 

Gerechtshof Leeuwarden 6 december 2011 LJN BU6999

In art. 54 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de zogeheten openbare betekening dient te geschieden aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen of dient. In het exploot van dagvaarding (in hoger beroep) is hieromtrent het volgende opgenomen:

"(…) exploot doende aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerechtshof Leeuwarden, gevestigd aan het Wilhelminaplein 1 te (8911 BS) Leeuwarden, waarvan de griffie zetelt aan het Zaailand 106 te Leeuwarden, aldaar aan laatstgenoemd adres mijn exploot doende en afschrift dezes latende aan;

de heer medewerker, aldaar werkzaam (…)"

Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de betekening niet conform art. 54 lid 2 Rv heeft plaatsgevonden aan het ressortsparket Arnhem/Leeuwarden, dat is gevestigd op de adressen Eusebiusbinnensingel 28 te (6811 BX) te Arnhem en Wilhelminaplein 1 (8911 BS) te Leeuwarden. Er is derhalve sprake van een betekeningsgebrek. In beginsel brengt dit de nietigheid van het exploot van dagvaarding mee.

Appellant zal in de gelegenheid worden gesteld op de voet van art. 121 lid 2 Rv voormelde vormfout te herstellen door het uitbrengen van een herstelexploot. Het hof zal hiertoe een nieuwe roldatum bepalen waartegen geïntimeerde door appellant dient te worden opgeroepen.

Een uittreksel van het herstelexploot dient conform het bepaalde in art. 54 lid 2, laatste volzin, Rv te worden gepubliceerd. Deze publicatie kan ingevolge 's hofs arrest van 21 september 2010 (LJN: BN 8237) zo nodig worden gedaan in een dagblad verschijnend in de streek waar het gerechtshof Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Arnhem, zitting houdt. De kosten van het herstelexploot en de nieuwe publicatie zijn en blijven voor rekening van appellant.

In de omstandigheden van dit geval en de sedert de appeldagvaarding verstreken termijn ziet het hof voorts aanleiding te bepalen dat appellant bij inschrijving van het herstelexploot stukken dient te overleggen waaruit blijkt van recent onderzoek naar de woon- of verblijfplaats van geïntimeerde in of buiten Nederland. Indien uit dit onderzoek mocht blijken dat geïntimeerde wel een woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland heeft, dient betekening van het herstelexploot uiteraard aan dat adres te geschieden conform de daarvoor geldende bepalingen.

Bizarre fout die gelukkig niet tot nietigheid leidt maar wel een hoop vertraging oplevert

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU6999

 

Gerechtshof Amsterdam 19 juli 2011 LJN BU7147

Buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst woonruimte ex art. 7:231, lid 2, BW. Uitoefening bevoegdheid in de bijzondere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toch onaanvaardbaar;

- de aan de verhuurder toekomende bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding dient in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid te worden uitgeoefend;

- dit laatste klemt te meer in een situatie als de onderhavige, waarin  Appellanten  de woning al 33 jaar huren en gedurende die zeer lange periode nooit eerder sprake is geweest van enige klacht omtrent de wijze van gebruik van het gehuurde;

- hoewel zeker niet valt uit te sluiten dat het besluit van de burgemeester in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure in stand zal blijven, kent het hof betekenis toe aan het gegeven dat de Adviescommissie voor bezwaarschriften, na een - gelet op het van de zitting van 13 december 2010 gemaakte verslag: - uitgebreid onderzoek, tot het oordeel is gekomen dat de door de  Appellanten  aangevoerde bezwaren gegrond zijn en dat het besluit dient te worden herroepen;

- ondanks het feit dat de woning in de verboden activiteiten van  zoon  een niet weg te cijferen rol speelt, moet worden geconstateerd dat in de woning geen drugs zijn aangetroffen en dat geen voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat de woning ook heeft gediend als afleveringsplaats van de drugs. Indien de woning al als een “drugspand” aangemerkt zou moeten worden, is het dan wel een “drugspand” in een (zeer) lichte vorm. Het in de woning aangetroffen bedrag van € 16.500, -, dat doet vermoeden dat het geld uit de verboden activiteiten van  zoon  is verkregen ( Appellanten  hebben daarvoor ook geen goede andere verklaring gegeven), doet daaraan niet af;

- hoewel  Appellanten  voor het onbehoorlijke gebruik van de woning door  zoon  aansprakelijk zijn, acht het hof wel van belang dat niet  Appellanten  (als huurders) zelf maar een meerderjarige zoon van hen de verboden activiteiten heeft gepleegd. Uit hetgeen  Appellanten  ter zitting in hoger beroep hebben verklaard maakt het hof op dat de kans dat zich een herhaling zal voordoen op nihil te stellen is;

- van groot belang acht het hof dat uit het grote aantal verklaringen van omwonenden blijkt dat zij nimmer iets van drugsactiviteiten hebben gemerkt, laat staan daarvan enige overlast hebben ondervonden. Het hof maakt uit deze verklaringen op dat de omwonenden het streven van  Appellanten  om in de woning te mogen blijven wonen, van harte ondersteunen

Het gedrag van de zoon leidde wel tot een sluiting van de woning voor een maand op grond van de Opiumwet maar de buitengerechtelijke ontbinding sneuvelt.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7147

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BT2700

Geen fiscaal verhaalsrecht op showroommodellen. Showroommodellen strekken niet tot enigszins duurzaam gebruik van de winkel of showroom waarin zij zijn opgesteld. Zij dienen derhalve niet tot stoffering als in art. 22 lid 3 Iw 1990 bedoeld.

De Hoge Raad (be)oordeelt:

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De curator is in de op 13 oktober 2006 uitgesproken faillissementen van Royal Sleeptrend B.V. en Solatido B.V. (hierna: de schuldenaren) als zodanig benoemd. De schuldenaren hielden zich beide bezig met (onder meer) de verkoop van slaapkamerinrichtingen. Daartoe maakten zij ten tijde van hun faillietverklaring gebruik van 23 winkels, waarin slaapkamerameublementen als showroommodellen werden tentoongesteld. Die showroommodellen waren tot zekerheid voor de nakoming van haar vorderingen op de schuldenaren stil verpand aan ING. De belastingdienst had op het moment van faillietverklaring eveneens een aantal vorderingen op de schuldenaren.

(ii) De curator en de belastingdienst verschillen met ING van mening over de vraag of de showroommodellen moeten worden beschouwd als zaken ("bodemzaken") ten aanzien waarvan het fiscale verhaalsrecht van art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990 (hierna: Iw 1990) geldt. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord heeft de belastingdienst op grond van art. 21 lid 2 Iw 1990 voorrang boven ING bij het verhaal op de opbrengst daarvan.

(iii) De curator heeft in overleg met ING en de belastingdienst de activa van de schuldenaren, waaronder de showroommodellen, op 19 januari 2007 verkocht.

(iv) De koopprijs van de voorraden met inbegrip van de showroommodellen is, naar de Hoge Raad begrijpt, betaald aan ING.

(v) ING heeft zich jegens de curator, die in deze op de voet van art. 57 lid 3 F. de belangen van de belastingdienst behartigt, verbonden om een bedrag van € 232.400,-- als opbrengst van de showroommodellen aan de boedels te betalen, als in rechte komt vast te staan dat de showroommodellen als bodemzaken moeten worden aangemerkt.

De klacht faalt. Het hof heeft kennelijk, en terecht, onder roerende zaken die dienen "tot stoffering" van huis of landhoef in de zin van art. 22 lid 3, in overeenstemming met de door het hof in rov. 2.8 van zijn arrest, en door de Advocaat-Generaal in nr. 2.4 van zijn conclusie, geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis van de Invorderingswet 1990, verstaan roerende zaken die strekken tot een enigszins duurzaam gebruik van het gebouw overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming, waardoor dat gebouw tevens beter aan die bestemming beantwoordt. Showroommodellen - of zij nu ooit verkocht worden of niet - behoren tot de handelswaar voor de verhandeling waarvan het gebouw juist dient.

Zij plegen bovendien met zekere regelmaat te worden vervangen door aan de mode van het moment of aan de eisen destijds beantwoordende nieuwe modellen. Daarom strekken zij niet tot een enigszins duurzaam gebruik van de winkel of showroom waarin zij zijn opgesteld. Zij dienen derhalve niet tot stoffering als in art. 22 lid 3 bedoeld.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BT2700

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BR2045

Procesrecht. Afstandsbeding inhoudende dat verhuurder bij onteigening geen schadevergoeding jegens huurder is verschuldigd. Gelet op art. 1 Eerste protocol EVRM in samenhang met art. 7:377 en 7:399 BW en art. 42a (oud) Ow., volgt uit art. 3:40 lid 2 BW dat dit beding vernietigbaar is (en niet nietig, redactie). Omdat hierop toegesneden verweer geheel nieuw was en niet in verlengde lag van reeds door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel en zich hier niet een van de uitzonderingen voordoet als genoemd in HR 20 juni 2008, LJN BC4959, NJ 2009/21 en 19 juni 2009, LJN BI8771, NJ 2010/154, heeft het hof, door uitbreiding verweer te aanvaarden, grenzen goede procesorde miskend.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BR2045

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BR5211

Onrechtmatige daad. Verkoop door man van aan vrouw toebehorende auto. Afwijzing vordering tot schadevergoeding op grond dat vrouw onvoldoende heeft gesteld om hoogte schade te kunnen vaststellen. Hof heeft te hoge eisen gesteld aan stelplicht vrouw omtrent haar schade. Hof had hetzij zaak naar rol moeten verwijzen voor uitlating over omvang schade, hetzij partijen naar de schadestaat moeten verwijzen (ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd), hetzij omvang schade op voet van art. 6:97 BW moeten schatten. Hoge Raad doet zelf de zaak af.

De Hoge Raad (be)oordeelt:

Onderdeel 3 betoogt terecht dat het hof zijn uit art. 6:97 BW voortvloeiende taak heeft miskend door te hoge eisen te stellen aan de stelplicht van de vrouw omtrent haar schade. Zij behoefde immers slechts de feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat zij schade heeft geleden. Deze stelplicht behoefde in het onderhavige geval, waarin de man onrechtmatig de auto van de vrouw aan een derde heeft verkocht, niet aan bijzondere eisen te voldoen. Dat ook het hof van oordeel was dat de vrouw aan deze stelplicht heeft voldaan blijkt, zoals het onderdeel terecht aanvoert, uit hetgeen het hof overweegt in rov. 22. Het hof had bij die stand van zaken hetzij de zaak naar de rol moeten verwijzen voor uitlating over de omvang van de schade, hetzij, nu de mogelijkheid van schade in de gegeven omstandigheden zonder meer aannemelijk is, partijen naar de schadestaat moeten verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd, hetzij, indien het van oordeel was dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, de omvang van de schade op de voet van art. 6:97 BW moeten schatten.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BR5211

 

Hoge Raad 09 december 2011 LJN BT2708

Beslag kan steeds gelegd worden als een ander dan eigenaar schip aansprakelijk is voor zeerechtelijke vordering en beslag is in dat geval ook mogelijk op andere schepen van die ander. Beslag alleen mogelijk indien naar toepasselijk recht verhaal op of afgifte van het schip mogelijk is ten vervolge op dat beslag. Buiten dit geval behoort beslag niet gelegd te kunnen worden bij gebrek aan rechtmatig belang, omdat het geen vervolg kan krijgen.

In diens uitvoerige conclusie oordeelt Mr L. Strikwerda als volgt:

Het onderdeel faalt. Het miskent dat het Beslagverdrag 1952 berust op een compromis tussen enerzijds het toenmalige Engelse stelsel, waarin conservatoir beslag op een schip alleen mogelijk was indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag wordt gelegd betrekking had op het in beslag genomen schip zelf, en anderzijds de continentale stelsels, waarin de schuldeiser in beginsel ter verzekering van iedere vordering van welke aard ook beslag kan leggen op ieder vermogensbestanddeel van zijn debiteur, waaronder een zeeschip. Gegeven dit compromis, ligt het voor de hand dat de gevallen waarin conservatoir beslag mogelijk is op andere schepen dan het schip waarop de vordering betrekking heeft, limitatief door het verdrag worden aangegeven. Vgl. Philip, a.w., blz. 118.

Geen bepaling van het verdrag laat toe, ook niet de bepaling van de tweede zin van artikel 3 lid 4, dat in een geval als het onderhavige, waarin de debiteur van de zeerechtelijke vordering niet de eigenaar is van het schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft en de zeerechtelijke vordering niet voortvloeit uit het gezag of de feitelijke macht die de debiteur over dat schip voerde, de schuldeiser beslag legt op een zusterschip van de debiteur.

De Hoge Raad oordeelt echter anders:

Het middel is gegrond. De tekst van het Verdrag - die te dezen in de eerste plaats beslissend is - biedt inderdaad geen steun voor de beperking die het hof heeft aangebracht. De tweede alinea van art. 3 lid 4 luidt immers dat de eerste alinea eveneens van toepassing is op alle gevallen waarin een ander dan de eigenaar aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering. Op zichzelf zou het voor de hand hebben gelegen deze regel reeds op te nemen in art. 3 lid 1 van het Verdrag of deze als zodanig de (hoofd)regel te doen zijn in lid 4, met weglating van de huidige eerste alinea, maar daaruit volgt niet dat de tekst van de tweede alinea van art. 3 lid 4 anders zou moeten worden uitgelegd dan overeenkomstig zijn normale betekenis.

Dit laatste volgt evenmin uit de overige context van die bepaling of uit het onderwerp of doel van het Verdrag, dat, voor zover hier van belang, niet meer is dan te regelen in welke gevallen wel en niet conservatoir beslag op een zeeschip mogelijk is. Uit de travaux préparatoires blijkt dat de tweede alinea van art. 3 lid 4 later is toegevoegd aan de ontwerptekst van het Verdrag onder het gelijktijdig opnemen in lid 1 van de woorden "Onverminderd het bepaalde in het vierde lid van dit artikel" (zie p. 317 en 339 van de travaux préparatoires van het Verdrag die zijn uitgegeven door het Comité Maritime International). Dit verklaart de redactie die art. 3 leden 1 en 4 kent, voor zover hier van belang, en bevestigt daarmee, in zoverre, hetgeen uit de tekst van het Verdrag volgt.

Vorenstaande lezing vindt, anders dan het hof heeft geoordeeld, bevestiging in de travaux préparatoires. Weliswaar is het voorstel tot het toevoegen van de tweede alinea van art. 3 lid 4, dat gedaan is door de Nederlandse delegatie, in de eerste plaats toegelicht met verwijzing naar de Nederlandse rechtsfiguur van de reder als degene die in beginsel aansprakelijk is voor zeerechtelijke vorderingen ter zake van het schip en die niet de eigenaar van het schip behoeft te zijn, maar die toelichting is daartoe niet beperkt gebleven.

Na te hebben uiteengezet dat het begrip reder meer omvat dan enkel de figuur van de rompbevrachter die in art. 3 lid 4 genoemd wordt (op dat moment in het ontwerp nog art. 3 lid 5), en dat daarom de voorgestelde tweede alinea diende te worden toegevoegd met daarin de omschrijving "any other person than the legal owner", vervolgde de woordvoerder van de Nederlandse delegatie de toelichting op het voorstel met de uitbreiding:

 "The same applies to all cases where a person other than the legal owner is liable in respect of a maritime claim. Of course, there are many people who are not owners, and their position must be considered. Therefore the proposal in respect of paragraph (I) and (V) of article 3 is to add to paragraph (V) the words 'in respect of all cases where a person other than the legal owner is liable in respect of a maritime claim'. I do not think that this proposal of ours can do any harm to anybody who is not a legal owner, and therefore no harm will be done by adopting it." (travaux préparatoires, p. 341).

Deze uitlating kan niet anders worden begrepen dan dat het voorstel - dat door de andere delegaties aanvaard is - inhield dat steeds beslag gelegd kan worden als een ander dan de eigenaar van het schip aansprakelijk is voor de zeerechtelijke vordering en dat het beslag in dat geval ook mogelijk is op andere schepen van die ander. Dit vindt nog bevestiging in het feit dat tegelijk met het voorstel voor de huidige tweede alinea van art. 3 lid 4 door de Nederlandse delegatie is voorgesteld de tekst van art. 3 lid 1 aldus te wijzigen dat deze kwam te luiden dat steeds beslag mogelijk zou zijn op het schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft, en op ieder ander schip van de debiteur van die vordering (travaux préparatoires, p. 315).

Dat voorstel komt immers op hetzelfde neer als de tekst van de voorgestelde tweede alinea van art. 3 lid 4 en is kennelijk ook om die reden al voor de beraadslagingen over het ontwerp, als overbodig, ingetrokken door de Nederlandse delegatie (vgl. de travaux préparatoires, p. 315-317). Daarbij kan er terzijde nog op worden gewezen - hoewel dit bij de uitleg van het Verdrag geen rol mag spelen - dat de inhoud van het Verdrag nadien ook aldus is weergegeven door de Nederlandse delegatieleden J.T. Asser en R.P. Cleveringa, die beiden stellen dat het Verdrag beslag mogelijk maakt op de schepen van de debiteur van de zeerechtelijke vordering (in respectievelijk NJB 1953, p. 756 en 758, en Zeerecht, vierde en laatste druk 1961, p. 232).

Naar blijkt uit de travaux préparatoires, is tegen de beslagmogelijkheden die met art. 3 lid 4 zijn ontstaan, bezwaar gerezen bij de beraadslagingen over het ontwerp. Dat bezwaar betrof, voor zover hier van belang, de ruime mogelijkheid om beslag te leggen op het schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft, in het geval dat de debiteur van de vordering niet de eigenaar van het schip is. In verband daarmee is voorgesteld de eis te stellen dat beslag alleen mogelijk is indien de schuldeiser het recht heeft om de vordering op het schip uit oefenen of te verhalen, bijvoorbeeld op grond van een zakelijk recht.

Uit de travaux préparatoires (p. 344-348) valt af te leiden dat dit voorstel het niet heeft gehaald omdat het Verdrag uitsluitend de mogelijkheid van conservatoir beslag regelt en niet de mogelijkheid om verhaal op het schip te nemen of enig recht daarop uit te oefenen (art. 9 van het Verdrag, in het ontwerp nog artikel 10; vgl. ook art. 1, aanhef en onder 2, en de eerste woorden van art. 3 lid 1). Die laatste mogelijkheid wordt beheerst door het volgens de regels van internationaal privaatrecht van toepassing zijnde nationale of eenvormige internationale recht. Naar aanleiding van een Noors voorstel is bijvoorbeeld door het Nederlandse delegatielid Asser opgemerkt:

"La question de savoir si une créance peut donner lieu au droit de saisir des navires appartenant à un propriétaire ou à un tiers a déjà été réglée. M. Asser rappelle aux délégues les explications données à ce sujet par M. de Grandmaison, président de la commission de redaction. Celui-ci a expliqué clairement que le cas visé par l'amendement norvégien est reglé par l'article 10 du projet et que cet article est suffisant pour apaiser les craintes norvégiennes à cet sujet." (travaux préparatoires, p. 347).

In overeenstemming hiermee valt art. 3 van het Verdrag aldus uit te leggen dat beslag op grond van het Verdrag alleen mogelijk is indien naar het toepasselijke recht verhaal op of afgifte van het schip mogelijk is ten vervolge op dat beslag. Weliswaar is het beslag naar de letter van het Verdrag ook mogelijk buiten dit geval, maar buiten dit geval behoort het beslag niet gelegd te kunnen worden bij gebrek aan een rechtmatig belang, omdat het geen vervolg kan krijgen. Het beslag strekt volgens het Verdrag immers uitsluitend ter verzekering van een zeerechtelijke vordering (vgl. andermaal art. 9 en art. 1, aanhef en onder 2).

Vorenstaande uitleg van art. 3 is in overeenstemming met de uitleg die in veel andere landen aan het Verdrag wordt gegeven (vgl. F. Berlingieri, Arrest of Ships. A Commentary on the 1952 and 1999 Arrest Conventions, 4th ed. 2006, appendix II, vraag 7.2, p. 367-369). Nu het hier gaat om bij internationaal verdrag overeengekomen eenvormige regels, komt daaraan bij de beantwoording van de te dezen aan de orde zijnde vraag van uitleg gewicht toe.

Overigens is deze uitleg van art. 3 ook in overeenstemming met de uitlatingen van de Nederlandse regering bij de parlementaire goedkeuring van het Verdrag. Daarbij is opgemerkt dat de in HR 29 juni 1979, LJN AC6656, NJ 1980/346 aanvaarde mogelijkheid van conservatoir beslag op een zeeschip voor een zeerechtelijke vordering op een ander dan de eigenaar - indien voor de vordering een voorrecht op het schip bestaat op grond van een bijzondere wettelijke bepaling, in het geval van het arrest het toenmalige art. 318r K. -, onder het Verdrag zal blijven bestaan (Kamerstukken II, 1981-1982, 17 110 (R 1192), nrs. 1-3, p. 6).

Ervan uitgaande dat de door Furtrans gepretendeerde vordering een zeerechtelijke vordering is in de zin van het Verdrag (zie hiervoor in 3.3.1), leidt het vorenstaande tot de slotsom dat Furtrans de mogelijkheid had het hiervoor in 3.1 onder (iv) vermelde beslag te leggen, mits zij naar het toepasselijke recht de mogelijkheid heeft verhaal voor haar vordering te nemen op de "Costanza M". Dit schip behoort immers toe aan Augusta die de debiteur is van haar vordering.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BT2708

 

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BT2915

Onder verlies van hoedanigheid als bedoeld in art. 226 lid 1 Rv. valt mede te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van disciplinaire maatregel, hetzij op andere wettelijke grond. Indien schorsing voor korte tijd, dan kan rechter zaak aanhouden tot schorsing voorbij is. Duurt schorsing langer, dan dient schorsing kenbaar te worden gemaakt aan wederpartij door mededeling op of via rol. Wederpartij kan geding dan onmiddellijk weer doen hervatten (art. 228 Rv.). Benadeling vereist voor geslaagd beroep op nietigheid van na schorsing verrichte rechtshandelingen.

De Hoge Raad (be)oordeelt:

De aan het middel ten grondslag liggende opvatting is juist. Art. 226 lid 1 Rv. bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, het geding van rechtswege wordt geschorst doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn hoedanigheid van advocaat verliest. Ratio van deze bepaling is de desbetreffende partij te beschermen tegen de gevolgen van het feit dat zij niet langer in de procedure is vertegenwoordigd ten gevolge van een van de beide in het artikel genoemde omstandigheden.

Van dit feit zal zij niet altijd op de hoogte zijn, zonder dat haar dit valt toe te rekenen, hetgeen rechtvaardigt dat de schorsing van rechtswege plaatsvindt, anders dan bij de schorsingsoorzaken die genoemd worden in art. 225 lid 1 Rv., waarbij de schorsing eerst intreedt na betekening van de schorsingsgrond aan de wederpartij. Gelet op deze ratio - die opgeld doet onafhankelijk van de vraag of de rechtsbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt voortduurt -, dient art. 226 lid 1 Rv. aldus te worden uitgelegd dat onder verlies van hoedanigheid als bedoeld in die bepaling mede valt te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van een disciplinaire maatregel die is ingegaan, hetzij op een andere wettelijke grond, zoals faillissement (art. 16 Advocatenwet). Genoemde ratio doet zich immers ook bij deze schorsing voor.

Hierbij tekent de Hoge Raad met het oog op de eisen van de praktijk het volgende aan. Indien de schorsing van een advocaat slechts voor korte tijd is uitgesproken, zal de rechter de zaak kunnen aanhouden tot die schorsing voorbij is. Met het einde van de schorsing van de advocaat eindigt ook van rechtswege de schorsing van het geding op grond van art. 226 lid 1 Rv.

Hetzelfde geldt als zich een andere advocaat voor de betrokken partij stelt. Duurt de schorsing van de advocaat, naar het oordeel van de (rol)rechter, langer dan gelet op de aard van de procedure of de belangen van de wederpartij aanvaardbaar is, zonder dat die advocaat vervangen wordt, dan dient de schorsing van de procedure ten gevolge van de schorsing van de advocaat door de (rol)rechter kenbaar te worden gemaakt aan de wederpartij - voor zover deze daarvan niet reeds op de hoogte is -, bijvoorbeeld door mededeling op of via de rol. De wederpartij heeft dan op grond van art. 228 Rv. de mogelijkheid het geding onmiddellijk weer te doen hervatten in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond, door een exploot uit te brengen waarin dit wordt aangezegd aan de partij van wie de advocaat is geschorst, onder

(i) oproeping op de voet van art. 227 lid 2 Rv. tegen de zitting waarop de zaak zal worden voorgezet,

(ii) mededeling van de schorsing van het geding en de reden daarvan, en

(iii) aanzegging dat een andere advocaat gesteld moet worden.

De stelling van het middel dat de schorsing van de advocaat van eiser c.s. reeds was ingegaan op het tijdstip dat de dag was bepaald voor het arrest van het hof - en het geding dus op grond van art. 226 Rv. geschorst was -, mist feitelijke grondslag in het arrest van het hof en in de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Uit een en ander blijkt niet meer dan dat de advocaat geschorst was. Indien echter in cassatie aanstonds als vaststaand kan worden aangenomen, of door eisers tot cassatie aanstonds voldoende wordt aangetoond, dat genoemd feit zich heeft voorgedaan en bij het hof bekend was ten tijde van het wijzen van zijn arrest, kan dat feit toch als grondslag dienen van een cassatieklacht.

Eiser c.s. hebben in cassatie genoemde stelling op geen enkele wijze nader aannemelijk gemaakt door bescheiden of anderszins. Evenwel blijkt uit de door de Advocaat-Generaal ambtshalve opgevraagde rolkaart van het hof en brief van de geschorste advocaat van eiser c.s. van 4 december 2009 aan het hof - op welke beide stukken het middel een beroep doet, maar die eiser c.s. verzuimd hebben in cassatie over te leggen -, genoegzaam dat de advocaat van eiser c.s. al geruime tijd voor de datum waarop de dag is bepaald voor het arrest van het hof, was geschorst. In cassatie kan daarom worden uitgegaan van de juistheid van genoemde stelling van het middel.

Op grond van art. 226 lid 2 in verbinding met art. 225 lid 3 Rv. zijn proceshandelingen die verricht zijn nadat de schorsing bedoeld in deze artikelen is ingetreden, nietig. Voor een geslaagd beroep op deze nietigheid valt echter de eis te stellen dat degene die dat beroep doet, gemotiveerd stelt dat hij benadeeld is door het feit dat de procedure niet is stilgelegd en dat hij aldus is getroffen in het belang dat art. 226 Rv. beoogt te beschermen. Doet hij dat niet of met een motivering waaruit dit niet kan volgen, of is wat hij in dit verband aanvoert niet aannemelijk, dan kan de rechter aan het beroep op nietigheid van de in strijd met genoemde bepalingen plaatsgevonden hebbende proceserrichtingen voorbijgaan.

Aan genoemd vereiste is hier voldaan nu het middel aanvoert dat eiser c.s. de zaak in hoger beroep wensten te laten bepleiten door hun advocaat en dat pleidooi - waarvoor al een datum was bepaald - geen doorgang heeft gevonden als gevolg van de schorsing van die advocaat, en die stelling steun vindt in hetgeen is genoteerd op de hiervoor vermelde rolkaart van het hof.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BT2915

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BT2921

Hersenbeschadiging baby door langdurige te lage bloedsuikerspiegel na geboorte. Onrechtmatig handelen of toerekenbaar tekortschieten arts? Afwijzing vordering ouders. Beperkte motiveringsplicht rechter om bevindingen deskundigen al dan niet te volgen. Indien rechter in een geval waarin de opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van deze deskundige volgt, zal rechter zijn beslissing in algemeen niet verder behoeven motiveren dan door aan te geven dat door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt.

Wel zal rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Volgt rechter echter zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen (vgl. HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74; HR 19 oktober 2007, LJN BB5172 en HR 8 juli 2011, LJN BQ3519). Oordeel hof dat geen van door ouders gestelde fouten zijn komen vast te staan. Naar toenmalige maatstaven handelen niet in strijd met wat onder gelijke omstandigheden van redelijk bekwaam en redelijk handelend kinderarts mocht worden verwacht.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BT2921

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BT7594

Cassatie. Ontbreken van belang bij cassatieberoep doordat in parallelzaak tussen partijen over rechtsbetrekking in geschil onherroepelijk is beslist; art. 236 lid 1 Rv. Cassatieberoep wordt verworpen (zie HR 9 juli 2010, LJN BM2337).

De Hoge Raad (be)oordeelt:

3.2 De kerk heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat eveneens op 19 januari 2010 tussen dezelfde partijen door hetzelfde gerechtshof een arrest is gewezen met rolnummer 104.001.033 (hierna: de parallelzaak). In dit arrest was dezelfde vraag aan de orde als in het thans in cassatie bestreden arrest. De rechtsoverwegingen 1.2-2.37 en 3.3.1-3.36 van het in de parallelzaak uitgesproken arrest zijn identiek aan die van het thans bestreden arrest; hetzelfde geldt voor het dictum. Tegen het in de parallelzaak uitgesproken arrest is geen cassatieberoep ingesteld; dit arrest is dus inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

3.3 Dit verweer slaagt. De omstandigheid dat de rechtsbetrekking die in het onderhavige arrest is beoordeeld, ook in geschil was in de parallelzaak, en dat daarover in die parallelzaak onherroepelijk is beslist, brengt ingevolge art. 236 lid 1 Rv. mee dat laatstgenoemde beslissing tussen partijen bindende kracht heeft. Daarom heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het in de onderhavige zaak aangevoerde middel. De door eiser aangevoerde redenen om hierover anders te oordelen, gaan niet op. De omstandigheden dat tussen beide zaken een nauwe samenhang bestond, dat ter rolle een zogeheten rolvoeging heeft plaatsgevonden, en dat in beide zaken op dezelfde datum arrest is gewezen, doen niet af aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken. Voorts kan, anders dan eiser heeft aangevoerd, niet worden aanvaard dat het cassatieberoep in de onderhavige zaak een cassatieberoep in de parallelzaak impliceert, nu in de cassatiedagvaarding uitsluitend beroep in de onderhavige zaak is aangezegd.

Ten slotte brengt ook de omstandigheid dat eiser, op de hiervoor in 3.1 vermelde grond, in de parallelzaak door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen, niet mee dat dit arrest geen bindende kracht tussen partijen heeft ten aanzien van de rechtsbetrekking die in de onderhavige zaak in geschil is. Het hof heeft immers in het arrest in de parallelzaak geoordeeld, kort samengevat, en wat daarvan overigens zij, dat over de rechtsbetrekking in geschil definitief is beslist door de kerkelijke rechter in eerste instantie. Daartegen kan volgens het hof niet bij de burgerlijke rechter worden opgekomen omdat niet eerst beroep is ingesteld bij de kerkelijke appelrechter.

3.4 Anders dan de kerk heeft aangevoerd, leidt de omstandigheid dat zij zich op goede gronden op het gezag van gewijsde van het arrest in de parallelzaak heeft beroepen, echter niet tot niet-ontvankelijkheid van eiser in zijn beroep, maar tot verwerping daarvan (zie HR 9 juli 2010, LJN BM2337).

 http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BT7594

 

Hoge Raad 09 december 2011 LJN BU4217

Art. 81 RO. Verzoek hypotheekhouder tot verlenen machtiging op de voet van art. 3:267 BW.

Uit de conclusie van mr. Wuisman:

2.2 De klacht in § 6.2 komt hierop neer dat het hof de beslissing van de voorzieningenrechter tot verlening van de machtiging tot het aan de Bank in beheer geven van de verhypothekeerde zaak ten onrechte heeft bekrachtigd, aangezien - anders dan artikel 3:267 BW voorschrijft - in de akte van hypotheekverlening geen melding wordt gemaakt van de bevoegdheid van de hypotheekhouder om de verhypothekeerde zaak in beheer te nemen. De machtiging aan de Bank tot het in beheer nemen van de verhypothekeerde zaak is derhalve op onjuiste gronden verleend.

2.3 De klacht faalt reeds wegens gemis aan feitelijke grondslag. In de akte van hypotheekstelling, die als productie 1 bij het aan de voorzieningenrechter gerichte verzoekschrift in het geding is gebracht, wordt op blz. 2 onder het hoofd 'beheersbeding' opgemerkt: "De Bank is bevoegd om, in geval de Schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de Bank in ernstige mate tekortschiet en de voorzieningenrechter van de rechtbank haar machtiging verleent, het Verbondene geheel of gedeeltelijk in beheer te nemen."

Pijnlijk.. Ernstig tekortschieten van de cassatie-advocaat.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU4217

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BU7430

Arbeidsrecht. Rechtsmiddelenverbod art. 7:685 lid 11 BW. Cassatieberoep niet-ontvankelijk nu geen beroep is gedaan op doorbrekingsgronden (rechter is buiten toepassingsgebied artikel getreden, heeft artikel ten onrechte buiten toepassing gelaten, dan wel fundamenteel rechtsbeginsel veronachtzaamd).

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7430

 

Hoge Raad 9 december 2011 LJN BU7412

Cassatie in belang der wet. Koop. Ook aan particuliere verkoper komt jegens particuliere koper beroep toe op schriftelijkheidsvereiste art. 7:2 lid 1 BW. Medewerking aan schriftelijke vastlegging kan niet met rechterlijk vonnis worden afgedwongen. Vordering tot schadevergoeding evenmin toewijsbaar. Beroep op art. 6:2 lid 2 BW alleen onder zeer bijzondere omstandigheden. In dat geval slechts veroordeling tot schadevergoeding mogelijk. 

De Hoge Raad (be)oordeelt:

3.4 Het gaat in deze zaak om de vraag hoe art. 7:2 lid 1 BW moet worden uitgelegd indien mondeling overeenstemming is bereikt over de verkoop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan (hierna: woonhuis) aan een koper die een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (hierna: een particuliere koper), maar de verkoper weigert zijn medewerking te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van een koopakte.

3.5 In art. 7:2 lid 1 is in algemene bewoordingen bepaald - kort gezegd - dat de koop van een woonhuis schriftelijk wordt aangegaan indien de koper een particulier is. Deze regel brengt mee dat de mondelinge overeenstemming de particuliere koper niet bindt zolang die overeenstemming niet schriftelijk is vastgelegd. De formulering van deze regel beperkt zulks niet tot het geval dat de koper weigert zijn medewerking te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van de koopakte; naar de letter bestrijkt de bepaling mede het geval dat de verkoper daaraan niet wil meewerken. De formulering van de wet is echter niet steeds beslissend voor de uitleg daarvan, ook niet als deze wet van recente datum is.

….

3.7 Bij de uitleg van de onderhavige bepaling moet worden meegewogen dat, indien wordt aangenomen dat ook de verkoper zich op de daarin gestelde eis van een schriftelijk aangegane overeenkomst mag beroepen, de positie van de particuliere koper door de onderhavige wetswijziging in die zin zou zijn verslechterd dat voordien de verkoper jegens hem was gebonden zodra wilsovereenstemming over de beoogde overeenkomst was bereikt, terwijl deze zich na invoering van art. 7:2 aan de rechtsgevolgen van een mondeling bereikte wilsovereenstemming kan onttrekken zolang geen schriftelijke vastlegging daarvan heeft plaatsgevonden. Dat staat op gespannen voet met de consumentenbeschermende strekking van de onderhavige bepaling. Deze consequentie is daarom alleen aanvaardbaar als ook de verkoper een particulier is. Zou dit anders zijn dan zou bovendien de professionele verkoper van een woonhuis in een betere positie verkeren tegenover een particuliere koper, dan tegenover een koper die deze hoedanigheid niet bezit. Als art. 7:2 zijn bescherming tot alle verkopers zou uitstrekken, zou de professionele verkoper immers tegenover een particuliere koper pas zijn gebonden wanneer schriftelijke vastlegging van de koopovereenkomst heeft plaatsgevonden, terwijl hij tegenover een professionele koper al kan zijn gebonden wanneer tussen partijen overeenstemming is bereikt over alle essentialia van de koopovereenkomst.

3.8 Alles afwegend is de Hoge Raad van oordeel dat de hiervoor in 3.4 geformuleerde vraag, mede gelet op art. 3:39 BW, als volgt moet worden beantwoord. Indien mondeling overeenstemming is bereikt over de verkoop van een woonhuis aan een particuliere koper en de verkoper weigert zijn medewerking te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van een koopakte, dan mag (ook) de verkoper, mits hij een particulier is, zich erop beroepen dat aan deze mondelinge overeenstemming geen rechtsgevolg toekomt.

3.9 Het voorgaande brengt mee dat de particuliere verkoper of koper die, in het geval als omschreven in art. 7:2 lid 1, weigert zijn medewerking te verlenen aan schriftelijke vastlegging van de met zijn wederpartij bereikte wilsovereenstemming met betrekking tot de koop en verkoop van een woonhuis, daartoe niet door een rechterlijk vonnis kan worden gedwongen omdat uit de wet volgt dat hij niet tot zodanige medewerking is verplicht (vgl. art. 3:296 lid 1 BW). Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding is om dezelfde reden geen ruimte.

3.10 Niettemin kan onder zeer bijzondere omstandigheden worden geoordeeld dat een beroep op het ontbreken van een schriftelijke vastlegging van de bereikte wilsovereenstemming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:2 lid 2 BW). Als zodanige omstandigheden kunnen in beginsel niet gelden dat de verkoper alsnog een hoger bod ontvangt van een derde, of dat de koper alsnog de voorkeur geeft aan de aankoop van een ander woonhuis, omdat de eis van schriftelijke vastlegging van de bereikte wilsovereenstemming hun nu juist de ruimte geeft alsnog ervan af te zien de beoogde koopovereenkomst te sluiten.

Opmerking verdient ten slotte dat, onder de hier bedoelde zeer bijzondere omstandigheden, de weigerende partij niet ertoe kan worden veroordeeld alsnog haar medewerking te verlenen aan schriftelijke vastlegging van de bereikte wilsovereenstemming, maar slechts kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die haar wederpartij door deze weigering lijdt. Daarvoor is dan niet nodig dat tevens de vorenbedoelde schriftelijke vastlegging plaatsvindt.

3.11 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het middel in zijn beide onderdelen geen doel treft omdat de verkoper een particulier is en de aanwezigheid van zeer bijzondere omstandigheden als hiervoor in 3.10 bedoeld, is gesteld noch gebleken.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU7412

 

Risico van hoofdelijke aansprakelijkheid bij plank-B.V.

Door mr. Marèl Baak, Dirkzwager advocaten & notarissen

Op grond van artikel 2:180 lid 2 BW zijn (opvolgende!) bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur van de B.V. verrichte rechtshandeling, zolang het minimumkapitaal van de B.V. niet is gestort.

Dit kan verstrekkende gevolgen hebben, wat blijkt uit navolgende casus.

BV X is opgericht in 2001. Y is sinds 2008 enig aandeelhouder en bestuurder van BV X. Eind 2008 gaat BV X een overeenkomst aan met Z . BVX kan deze overeenkomst niet nakomen en betaalt de facturen van Z niet. In 2009 gaat BV X failliet.

Z eist hoofdelijke veroordeling van Y tot betaling van de facturen en legt aan deze vordering ten grondslag dat niet is voldaan aan de verplichting tot volstorting van de aandelen bij de oprichting van BV X. Op grond van artikel 2:180 BW is in dat geval de bestuurder naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap is verbonden. Aangezien Y bestuurder was van BV X ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met Z, is Y op grond van voormeld artikel hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de vordering van Z (rechtbank ‘s- Gravenhage, 17 augustus 2011).

Y heeft allereerst de verjaring als verweer aangevoerd. De aansprakelijkheid van bestuurder(s) op grond van artikel 2:180 lid 2 BW is echter een aansprakelijkheid op grond van de wet waarvoor een verjaringstermijn van 20 jaar geldt. De vordering tot volstorting van het oprichtingskapitaal verjaart na vijf jaar. Na deze verjaring kan de bestuurder de storting niet meer afdwingen bij de oprichter/aandeelhouder, maar zijn hoofdelijke aansprakelijkheid blijft tot 20 jaar na de oprichting bestaan.

 Ook het verweer dat een opvolgend bestuurder niet op de hoogte kon zijn van het ontbreken van een rechtsgeldige volstorting, slaagt niet. Artikel 2:180 BW voorziet namelijk uitdrukkelijk niet in een disculpatiemogelijkheid, ook niet voor opvolgende bestuurders. Voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW is tenminste vereist dat de bestuurder geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij niet bekend was met het feit dat de aandelen niet waren volgestort. De rechtbank oordeelde in het onderhavige geval dat de bestuurder uit de oude bankafschriften van de B.V. had kunnen opmaken dat niet aan de stortingsplicht was voldaan, waardoor een beroep op de redelijkheid en billijkheid niet aan de orde was. De oprichtingsakte en de bankverklaring vormen blijkbaar geen garantie voor de bestuurder aangezien hij niet op de juistheid van deze stukken mag afgaan.

 De vraag is of een onderzoek naar de oude bankafschriften van de B.V. van een opvolgend bestuurder mag worden verwacht . Een beroep op de redelijkheid en billijkheid zou hier ons inziens mogelijk moeten zijn. Een opvolgend bestuurder moet af kunnen gaan op de juistheid van de door de bank afgegeven verklaring dat op enig moment het minimumkapitaal op de rekening van de B.V. i.o. heeft gestaan. Ligt hier niet juist een taak voor de bank om dit te controleren?

 

Brein

Stichting Brein heeft een rechtszaak tegen Techno Design gewonnen. De digitale-betalingsprovider moet de privégegevens, bankdetails en IP-adressen van een van zijn klanten afstaan, omdat deze een torrentsite voorzag van zijn diensten.

Eerder dit jaar werd bekend dat Brein gegevens over de eigenaren van torrentsites probeerde te achterhalen via internetbetaalproviders. Volgens Brein maken de in Nederland actieve e-paymentproviders het voor diverse beheerders van piratensites mogelijk om geld te verdienen aan hun activiteiten. Door bij deze partijen aan te kloppen, hoopt Brein niet alleen de geldkraan voor die sites te kunnen dichtdraaien, maar ook meteen achter de gegevens van de eigenaren te komen.

Hoewel Brein naar eigen zeggen hiermee de laatste maanden al een aantal keren succes heeft geboekt, lukte het bij Techno Design niet om gegevens van een van hun klanten te krijgen. Brein besloot daarop naar de rechter te stappen om op die manier gegevens over de beheerder te verkrijgen. De voorzieningenrechter in Den Haag oordeelde in het voordeel van de piraterijbestrijder, waardoor Techno Design alsnog de gegevens moet overhandigen, zo meldt Brein dinsdag.

Het gaat hier om de naam en het adres, mailadressen, bankrekeningnummer en IP-adressen van de betrokkenen bij een betaalaccount dat werd gebruikt op de torrentwebsite http://www.greece-forever.inf, zo blijkt uit de uitspraak. Als Techno Design niet aan het vonnis gehoor geeft, kan het een dwangsom van maximaal 25.000 euro opgelegd krijgen.

Rechter gebiedt online betalingsprovider identiteitsgegevens af te geven (BREIN)

Rb. Den Haag 6 december 2011, 404821 / KG ZA 11-1183 (Boek9.nl)

Verplichting tot gegevensverstrekking (Boek9.nl)

 

Agenda

Actualiteiten

Deurwaarder voor biebboetes

Voortaan is het mogelijk dat de deurwaarder aanklopt bij wie zijn bibliotheekboete in Sint-Niklaas (B) niet heeft betaald.

De belgische stadsbibliotheek heeft al jaren problemen met mensen die hun geleend materiaal niet op tijd terug brengen en de boetes die ze daarvoor krijgen niet betalen. Het nieuwe eglement van de bibliotheek stelt daar paal en perk aan. ‘Vroeger werd de politie ingeschakeld om die boetes te recupereren', zegt schepen van Cultuur Lieve Van Daele (CD&V). ‘Maar in feite is dat geen politiewerk. We gaan nu een nieuw systeem gebruiken zoals dat ook bij de kinderopvang wordt gehanteerd. Daarbij worden eerst de kosten gefactureerd. Daarna volgt een aangetekende brief om de boetes te betalen. Als het dan nog niet gebeurt, wordt een deurwaarder ingezet om de boetes op te eisen aan huis. Dat nieuwe systeem wordt toegepast in overleg met de financieel beheerder en de stadsontvangerij.'

Wie niet het risico wil lopen dat op huisraad beslag wordt gelegd om bibliotheekboetes te betalen, kan maar beter de boete afhandelen. ‘In principe hopen we de deurwaarder zo weinig mogelijk in te zetten', zegt Van Daele.

Aanhouding nepvuurwapen na tip deurwaarder

KATTENBROEK - De politie heeft vrijdagmiddag een man aangehouden omdat hij in het bezit was van een nepvuurwapen dat bijna niet van echt te onderscheiden was.

Omstreeks 15.10 uur kreeg de politie een melding van een 34-jarige deurwaarder die mogelijk een vuurwapen had gezien bij één van zijn huisbezoeken. Agenten gingen er heen. De deurwaarder verklaarde dat hij bij een huis aan het Wolfseind was geweest en daar een bewoonster had ontmoet die een vuurwapen in haar hand had. De politie ging naar het pand en trof in de woning een man (gegevens nog onbekend) aan. In het huis lag een nepvuurwapen dat bijna niet van echt te onderscheiden was. De man werd voor verhoor meegenomen naar het bureau.

 

Double Jeopardy

Strafrechtadvocaten zijn tegen het wetsvoorstel dat vrijgesproken verdachten van een ernstig misdrijven opnieuw kunnen worden berecht, als er nieuw bewijs tegen ze is gevonden. Dat zei voorzitter Bart Nooitgedagt van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) vandaag.

'Er moet een keer een einde komen aan de jacht op een verdachte. Die mag niet oneindig voortduren.'

Een meerderheid van de Tweede Kamer schaarde zich gisteren juist achter dit voorstel van het kabinet. Tot nu toe kan iemand niet twee keer voor hetzelfde vergrijp worden vervolgd. Die regel was er in de ogen van de voorzitter van de NVSA niet voor niets. 'Je kunt mensen niet voor altijd verdachte laten zijn', vindt Nooitgedagt. 'Je kunt ze niet hun leven lang blijven achtervolgen, want de kans bestaat dat ze niets hebben gedaan. Die situatie is zeer onwenselijk.'

Er is nog een ander nadeel, meent hij. Als een zaak na lange tijd wordt heropend, is dat nadelig voor de bewijsbaarheid. 'Getuigen kunnen zich veel minder herinneren', legt Nooitgedagt uit. 'Ze kunnen zelfs overleden zijn. Verder wordt de privacy geschonden als al het bewijsmateriaal oneindig lang bewaard moet worden.'

Actieve opstelling kantonrechter niet in strijd met lijdelijkheid

In een brief aan de Eerste Kamer stelt de minister van Justitie dat een actieve aanpak van de kantonrechter ter zitting en het 'helpen' van een partij die zich niet bedient van een professionele rechtshulpverlener niet in strijd is met de beginselen van lijdelijkheid en partij-autonomie. Sterker, indien één van de partijen procedeert zonder advocaat, dan leidt de actieve opstelling van de kantonrechter er in de praktijk toe dat equality of arms wordt bereikt.

Kamerbrief (vermeende) lijdelijkheid van de rechter (Ministerie van V&J)

 

Sociale media

Belangrijkste Discussies op LinkedIN

Koninklijke Beroepsoganisatie van Gerechtsdeurwaarders

CJIB

Schuldinfo.nl

 

Column Nadja Jungmann over het onzalig plan van de Christen Unie: Voor 'straf' naar de private schuldhulp?